De subsidieregeling  ‘samenwerking in de veenweidegebieden en Natura 2000-overgangsgebieden’ is ontstaan vanuit het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), het Nationaal Strategisch plan (NSP) en het Europees landbouwbeleid. Marieke de Groot legt uit: ‘De bedoeling van Brussel was dat er allerlei verplichtingen zouden komen voor het Veenweidegebied, maar dat willen we juist niet. Wij willen stimuleren dat de veenweiden en de klimaatopgaven juist een plek krijgen in het GLB. Als gevolg daarvan is deze regeling gemaakt.’

Met subsidies die in de honderdduizenden euro’s lopen is deze regeling er niet één die je per ongeluk gemist wil hebben. De aanvraag moet tussen 1 mei en 31 mei 2024 in samenwerkingsverband worden aangevraagd, en is best wel even werk. Daarom zetten we in dit artikel de zaken die je moet weten, nog eens onder elkaar.

Drie categorieën

De hele subsidieregeling bestaat uit drie categorieën: de eerste is opstellen gebiedsplan en oprichten samenwerkingsverband. De tweede is grondwaterstand verhoging en mogelijk extensiveren in veenweidegebieden. De derde is extensiveren in overgangsgebieden rondom Natura-2000 gebieden.

Kort samengevat is categorie 1 voor het opstellen van een gebiedsplan, deze categorie bevat geen vergoeding voor maatregelen per perceel en per bedrijf. Je krijgt subsidie voor kosten die je maakt voor het opstellen van een nieuw gebiedsplan, het netwerken en werven van deelnemers voor het samenwerkingsverband, het opstellen van een samenwerkingsovereenkomsten, het uitvoeren van studies en het doen van projectmanagement of projectadministratie.

Categorie 2 en 3 zijn juist gericht op de uitrol van plannen en bevatten vergoeding voor samenwerkingskosten (begeleiding en rapportage tijdens de uitvoering) en voor maatregelen per perceel en per bedrijf. Categorie 2 is gericht op het verhogen van de grondwaterstand en minder intensief melkvee houden. Categorie 3 richt zich op minder intensief melkvee houden in Natura 2000-overgangsgebieden.

Bij alle categorieën geld dat het samenwerkingsverband minimaal 200 hectare moet beslaan. ‘Zo blijft het voor het RVO een redelijk aantal aanvragen’, legt Marieke uit. De samenwerkingsverbanden moeten werken aan het verminderen van de uitstoot van ammoniak door extensivering van melkveehouderijen dicht bij stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en/of de CO2-uitstoot verminderen door de grondwaterstand in het veenweidegebied te verhogen.

In dit artikel gaan we het wat uitgebreider hebben over de extensiveringsmaatregel in categorie 2 en 3.

Wil je juist aan de slag met het opstellen van een gebiedsplan? Bekijk hier de website van het RVO. Wil je aan de gang met grondwaterniveau? Op deze pagina vind je meer informatie. Kom je er niet uit of kan je geen samenwerkingsverband vinden? Neem contact op met Frederik (f.hengeveld@wij.land/ 0628360403), dan proberen we je verder te helpen.

Extensiveren in het veenweidegebied en in/rond stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden

Wanneer jouw samenwerkingsverband wil extensiveren, of al geëxtensiveerd is, kan je aanspraak maken op subsidie in categorie twee of drie, afhankelijk van je locatie. Categorie twee, extensiveren in veenweidegebieden, is voor de bedrijven op veengrond volgens de Meststoffenwet. Dus in de provincies Fryslan, Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht en enkele gemeente buiten die provincies. Ligt het samenwerkingsverband voor minimaal 50% in veenweidegebied? Dan kan je je aanmelden.

Categorie drie, extensiveren in/rond stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden is voor samenwerkingsverbanden die voor minimaal 50% binnen een Natura 2000-overgangsgebied liggen, de lijst met overgangsgebieden vind je hier. Om overgangsgebied te zijn moeten de percelen binnen 2500 meter rondom N-gevoelige natuur liggen. Belangrijk om te weten is dat wanneer één van de partners in het samenwerkingsverband na het tweede jaar toch stopt, het aantal hectares niet onder de 200 mag zakken. Zorg ook dat je nog steeds voor minstens 50% in veenweidegebied of overgangsgebied zit, afhankelijk van de categorie waarin de subsidie valt.

Nu we erachter zijn wánneer je in aanmerking komt voor de subsidieregeling, is het natuurlijk belangrijk te weten wáár je precies voor in aanmerking komt.

Bij de extensiveringsregeling in zowel categorie 2 als categorie 3 krijg je subsidie voor het extensiveren van de melkveehouderij door het productie- en bemestingsvolume te verlagen op jouw bedrijf. Je kan verlagen tot 100 of 150 kilogram stikstofdierexcretie per hectare per bedrijf, daarbij mag je geen stikstofkunstmest gebruiken.

Bij extensivering naar 100 kilogram stikstofdierexcretie is de jaarlijkse vergoeding € 2.430 per hectare per bedrijf. Bij extensivering naar 150 kilogram stikstofdierexcretie is de jaarlijkse vergoeding € 1.680 per hectare per bedrijf. Daarnaast krijg je subsidie voor de kosten die moeten worden gemaakt voor het coördineren van de samenwerking en het maken van bedrijfsplannen, het begeleiden, uitvoeren en uitwerken van de bedrijfsplannen, het uitvoeren van de communicatie en het maken van rapportages.

De kosten voor de coördinatie van het project mogen niet meer dan 25% van de totale subsidiale kosten zijn.

Wij.land boeren die meedoen met de regeling

Er zijn verschillende boeren in het Wij.land-netwerk die van plan zijn om een aanvraag in te dienen.  “We zien goede kansen voor biologische en biologisch dynamische bedrijven die al heel laag zitten in hun stikstofdierexretie, voor biologisch moet je natuurlijk al op 170 kilogram per hectare zitten. Deze regeling kan of het laatste zetje zijn om nog lager te gaan zitten, of juist een heel welkome beloning voor alle boeren die alle benodigde investeringen al op hun eigen houtje gedaan hebben.” zegt Siem Vlaanderen, projectmedewerker bij Wij.land. “Anderzijds is het voor meer intensieve boeren die ook afhankelijk zijn van stikstofkunstmest best een grote stap. De bodem en het gewas moeten wennen aan een verlaging van de stikstofgift. Je moet in januari 2025 al voldoen aan de voorwaarden, dus 100 of 150 kilogram N uit dierlijke mest en helemaal van de kunstmest af. Stel een boer heeft nu nog 230 kilogram N uit dierlijke mest en een beetje kunstmest, dan is dat voor je bodem een hele acute stop.”

Er zijn ook boeren die nog niet volledig overtuigd zijn, zoals Joost van der Kroon. “Ik heb er twijfels bij, over vier jaar, hoe wordt er dan naar die grond gekeken? Het LNV geeft aan dat wanneer de regeling afloopt je in principe weer mag intensiveren, maar kan je daarvan op aan? Of heb je geëxtensiveerd en zit je over vier jaar met een lek verdienmodel?”

Jaap Prins gaat wel een aanvraag indienen. “Zonder deze regeling had ik niet kunnen extensiveren, het gaat om best serieus geld.” Jaap zit nu met zes agrariërs in een samenwerkingsverband en ze zoeken er nog meer. “Wij gaan een aanvraag doen voor extensivering in categorie 3, voor mij betekend dat ongeveer 20 koeien weg. Biologisch kan een vervolgstap zijn, maar eerst maar eens kijken of we de subsidie krijgen en hoe dat gaat. Als de regeling over vier jaar stopt, dan zit de kans er dik in dat er weer meer koeien moeten komen om het financieel rond te krijgen.”

Begeleiding en de rol van Wij.land

Voor het aanvragen van de regeling kan je gebruik maken van adviesbureau’s zoals DLV-advies en PPP-Agro Advies, deze kosten worden (na goedkeuring van de aanvraag) in de regeling vergoed.

Ben je al onderdeel van een samenwerkingsverband en ga je een aanvraag indienen? Laat het ons vooral weten! We kijken op dit moment of er behoefte is aan ondersteuning bij de uitvoer van de voorwaarden voor de subsidieregeling en hoe we de boeren die mee gaan het beste kunnen ondersteunen.

Lees ook